Communicatie, sleutel tot participatie

over de integratie van Somaliërs in Nederland

 

Samenvatting

 

Adri Nieuwhof (Samora Advies) and Abdullah A. Mohamoud (Universiteit van Amsterdam)

 

 

In Nederland wonen circa 30.000 Somaliërs. Zij zijn sinds het eind van de tachtiger jaren als vluchteling naar Nederland gekomen. De voortdurende oorlog in het land van herkomst maakte dat men elders een veilig heenkomen zocht. Anno 2000 heeft Somalië geen regering. Het merendeel van de Somaliërs werd in de regio opgevangen en een klein deel van hen kwam naar Europa. De Somalische gemeenschap in Nederland is in vijf jaar tijd met ruim 10.000 personen toegenomen. Het betreft een jonge bevolking, waarvan de helft jonger is dan 20 jaar.

Veel Somaliërs kampen in Nederland met problemen, die grotendeels verklaard kunnen worden uit het verschil tussen de Somalische en de Nederlandse leefwijze en gewoonten.
In vergelijking met vluchtelingen uit andere landen is de te overbruggen afstand veel groter. Het gevolg is dat Somaliërs minder succes hebben in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Het risico bestaat dat de geringe participatie van Somaliërs aan de Nederlandse samenleving de Somalische gemeenschap verder in een isolement drijft. Het talent wordt niet benut en men loopt kansen mis. Uiteindelijk kan dit tot een negatieve beeldvorming over de groep leiden, waardoor participatie weer verder belemmerd wordt. 

Het beeld dat de grote kloof tussen de Somalische cultuur en de cultuur van het nieuwe land de participatie in de weg staat, wordt bevestigd door documentatie uit Denemarken, Finland en Engeland. Nader onderzoek is echter nodig om te beoordelen in hoeverre ervaringen met de Somalische gemeenschap rond integratie in deze landen ook voor de Nederlandse situatie bruikbaar zijn.

Effectieve communicatie tussen Somaliërs en medewerkers van Nederlandse instellingen is een voorwaarde voor goede toegang tot voorzieningen en daarmee tot participatie. Deze studie beoogt inzicht te krijgen in de knelpunten die Somaliërs en instellingen in het onderlinge contact ervaren. De informatie is verzameld door middel van literatuurstudie, gesprekken (telefonisch en persoonlijk), interviews met twee focusgroepen en berust mede op de jarenlange ervaring van de onderzoekers met de Somalische gemeenschap en hun contact met  Nederlandse instellingen. De kern van de studie wordt gevormd door de aanbevelingen voor verbetering van de communicatie.

Hoofdstuk 1 gaat in op het wereldbeeld van Somaliërs zoals dat voortkomt uit hun nomadische achtergrond. Reizen en trekken is voor een Somaliër de gewoonste zaak van de wereld. Het belangrijkste middel van bestaan in Somalië is de nomadische veehouderij. De hierbij behorende economie en sociale structuur zijn eenvoudig. Het leven is georganiseerd in het verband van clans. Met centraal, hiërarchisch gestructureerd gezag heeft men geen ervaring. 

Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 de sociale positie van de Somalische gemeenschap in Nederland behandeld. Het gaat in op de omstandigheden van de gemeenschap en de mogelijke oorzaken van de aanpassingsproblemen. Een deel van deze oorzaken is verbonden aan het vluchtelingschap en het ontheemd zijn, zoals cultuurschok, identiteitscrisis en dubbele loyaliteit. Daarnaast komen een aantal meer zichtbare knelpunten aan de orde, zoals de werkloosheid en de uitval in het onderwijs, het wantrouwen jegens Nederlandse instellingen, het gebruik van qat, en het isolement waarin de gemeenschap verkeert.

Hoofdstuk 3 behandelt het terrein van de interculturele gespreksvoering. Het biedt instellingsmedewerkers een kader om gesprekken met Somalische cliënten voor te bereiden.  Het gebruik ervan in combinatie met kennis van de achtergrond van Somaliërs zal tot een effectievere communicatie en daarmee tot een effectievere hulpverlening leiden. Overigens is dit kader algemeen bruikbaar voor interculturele communicatie. 

In hoofdstuk 4 volgt een rapportage van focusgroepen over de communicatie tussen Somaliërs en instellingen.  Het onderzoek moest antwoord geven op de volgende vragen:
  Hoe verloopt het contact tussen Somaliërs en Nederlandse instellingen? Zijn er specifieke knelpunten aan te wijzen?
  Zijn er factoren te benoemen bij de instellingen of bij de Somaliërs, die de communicatie belemmeren?
Het gebruik van schriftelijke enquètes of individuele interviews sluit niet goed aan bij de voor Somaliërs traditioneel gebruikelijke - groepsgerichte - manier van informatie uitwisselen. In deze studie is daarom gekozen voor de methode van focusgroepen.  Er zijn twee focusgroepen geïnterviewd met een gelijke deelname van Somaliërs en instellingsmedewerkers. 

Aan de focusgroepen namen deel:

 Somaliërs uit Amsterdam, Arnhem, Delft, Den Haag en Nijmegen: vier mannen, drie vrouwen en één jongere. Zij zijn actief in zelforganisaties of werken als sleutelfiguur voor de Somalische gemeenschap.

 Medewerkers van Bureau Nieuwkomers, de Arbeidsvoorziening, het taalonderwijs, een gemeentelijke afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een gemeentelijke afdeling Nieuwkomersbeleid, VluchtelingenWerk, de Opbouw, de politie, het consultatiebureau, het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers uit Amersfoort, Delft, Den Haag, Rotterdam, Tilburg en  De Lier.

De gedachtenwisseling in de focusgroepen leverde veel informatie op. Nederlandse medewerkers en Somaliërs hadden een gelijke inbreng en bespraken openlijk hun zorgen en twijfels over het verloop van de communicatie tussen Somaliërs en Nederlandse instellingen. Heel duidelijk bracht men naar voren dat het niet juist is om te generaliseren, noch tegenover de Somalische gemeenschap, noch tegenover de Nederlandse instellingen. Het leek echter zinvol om veel voorkomende ervaringen te benoemen, zodat deze meegenomen kunnen worden in het ontwikkelen van een effectievere communicatie. De uitkomsten zijn geordend naar ervaringen met Nederlandse instellingen; ervaringen met de Somalische gemeenschap; algemene knelpunten in de communicatie, en specifieke knelpunten die instellingen ervaren. 
Aan het eind van de bijeenkomst is aan de deelnemers de vraag voorgelegd: "Hoe staat het met de Somalische gemeenschap over vijf jaar, als wij niets doen?" Alle deelnemers maakten zich zorgen over de gemeenschap en meenden dat er extra inspanningen nodig zijn van de Somalische gemeenschap en de Nederlandse instellingen, die zich richten op de jongeren, de alleenstaande moeders en de ouderen.

In hoofdstuk 5 volgen voorstellen voor het verbeteren van de communicatie. Op basis van de kennis van de achtergrond van Somaliërs en de geïnventariseerde knelpunten in het contact tussen Somaliërs en Nederlandse instellingen worden deze voorstellen gedaan. Het is van belang dat de knelpunten die op individueel niveau in de communicatie worden  ervaren niet meer alleen het individuele probleem zijn van de Somalische cliënt en de instellings-medewerker, maar het probleem worden van de Somalische gemeenschap én de instelling. 
De aanbevelingen richten zich op de Nederlandse instellingen, de Somalische gemeenschap en op instellingsmedewerkers. 

Onderlinge samenwerking van de Somalische gemeenschap en de Nederlandse instellingen is een voorwaarde voor een effectieve communicatie. De methodiek van interviews met focusgroepen levert veel informatie op en is goed te gebruiken om ook lokaal de knelpunten in de communicatie in kaart te brengen. De resultaten kunnen als basis dienen voor het ontwikkelen van oplossingen. Het is een voorwaarde dat Somaliërs en instellingsmedewerkers een gelijkwaardige rol hebben in de focusgroepen én bij het ontwikkelen van nieuw beleid.

Instellingen hebben de taak na te gaan hoe de communicatie met Somalische cliënten verloopt en vervolgens een plan ter verbetering te ontwikkelen. Vergroting van de kennis, aanstelling van Somalische medewerkers, contacten leggen en onderhouden met Somalische zelforganisaties, sleutelfiguren en deskundigen zijn punten die hierbij aandacht vragen.

De Somalische gemeenschap is medeverantwoordelijk voor het oplossen van de problemen die zijzelf ervaren. De Somalische zelforganisaties en sleutelfiguren zouden daarom projecten moeten initiëren die bijdragen aan het overbruggen van de kloof tussen de gemeenschap en de instellingen. Zij mogen daarbij de steun van de Nederlandse overheid en instellingen verwachten. Er worden aanbevelingen gedaan op het vlak van versterken van de eigen organisaties, het ombuigen van het perspectief van de Somaliërs in Nederland, het opzetten van projecten en het geven van voorlichting aan instellingen.
Verder worden suggesties gegeven voor extra aandacht voor jongeren, alleenstaande moeders en ouderen.

Tenslotte stellen wij dat de ernst van de in de studie gesignaleerde knelpunten en problemen niet alleen de inzet vraagt van de instellingen en de Somalische gemeenschap, maar ook om een inzet en betrokkenheid van de overheid, zowel de rijksoverheid als de provinciale en de gemeentelijke overheden. De participatie van Somaliërs aan de Nederlandse samenleving stuit op een aantal ernstige belemmeringen die niet genegeerd mogen worden. Ook al is het verlangen naar Somalië groot, de toekomst van de Somalische gemeenschap zal in Nederland liggen. Als de participatie op zijn beloop wordt gelaten, zal de Somalische gemeenschap verder ontwricht raken. De dreiging dat deze nieuwe groep nieuwkomers aan de kant blijft staan is groot en de overheid mag er daarom haar ogen niet voor sluiten. De bijdrage van de overheid moet liggen op het terrein van het regisseren, stimuleren, ondersteunen en faciliteren van oplossingen

 

 

volledige tekst
(177 kB)

Voor het lezen van het volledige document heeft u Acrobat Reader 5.0 of hoger nodig. Deze kunt u hier gratis downloaden

 Terug naar bovenzijde pagina